Oost West – 27 juni 1953; Extract uit Artikel geschreven door Claude Belloni
Vijf millioen-project:
“Manokwari is één van de lieflijkste plaatsjes die ik ken op Nieuw-Guinea. Het is de laatste tijd ook meer dan eens in het zoeklicht van de publieke belangstelling geweest, want Manokwari werd nogal druk bezocht door hoge autoriteiten en particulieren.
Ik ben van mening, dat met de realisering van mijn plannen in die plaats, een niet onaanzienlijke opleving het gevolg zal zijn. Maar met de uitvoering is dan ook een bedrag van ongeveer vijf millioen gulden gemoeid’ aldus begon Ir C. van Konijnenburg het vraaggesprek, dat wij dezer dagen in het Gouvernementshotel te Hollandia met hem hadden.
De heer Van Konijnenburg vertelt ons het volgende:
Het scheepsbouw- en reparatiebedrijf, dat binnenkort zal verrijzen, zal in de eerste plaats bestaan uit een z.g. dwarshelling, waarop schepen tot ca. 3500 ton kunnen worden drooggezet. Verder zal er een fabriek worden gebouwd, ingericht voor scheeps-nieuwbouw en -reparatiewerk, constructiewerk, zoals gebouwen en bruggen. Verder een smederij, gieterij, bankwerkerij enz. De scheepshelling is reeds besteld, evenals het magazijn- en fabrieksgebouw en een grote werf-kraan.
De heer Van Konijnenburg denkt, zodra het bedrijf in volle werking is, aan ongeveer 500 vakmensen, alsmede aan een groot aantal losse werkkrachten, arbeidsgelegenheid te kunnen verschaffen.
Huisvesting
Het grootste gedeelte van de technici hoopt hij plaatselijk te recruteren. “Het zal u bevreemden als ik U vertel, dat onder de particulieren in Manokwari zeker 40 MTS-ers te vinden zijn, en voldoende jongelui met een mindere technische opleiding, of met eind-HBS of MULO”, zo gaat de heer Van Konijnenburg verder. Dit geeft het voordeel, dat de grootste moeilijkheid van Nieuw-Guinea, nl. die van de huisvesting, grotendeels reeds is opgelost, en onmiddellijk met het werk kan worden begonnen. Voor het kernpersoneel uit Nederland zal een 20-tal ruime huizen worden opgetrokken. De sleephelling zal voor de Koninklijke Marine in Nieuw-Guinea, doch ook voor de KPM (Koninklijke Pakketvaart Mij.) en de kustvaart, van groot nut kunnen zijn. Momenteel ondergaan de in Nieuw-Guinea gestationeerde Marinevaartuigen in Australische havens hun routine-onderhoud, waarmede vrij wat tijd – om van de ponden niet te spreken – gemoeid is.
De KPM-schepen worden thans gerepareerd in een Indonesische haven of in Singapore. Door de grote intensiteit der scheepsbeweging in die Archipel echter, moeten deze schepen vaak dagen, soms zelfs weken op hun beurt wachten. Voor een gemiddeld schip kost iedere dag ligtijd drieduizend gulden. Voordelig is dus een reparatie- of revisie-mogelijkheid in Nieuw-Guinea zelf.
Het ligt evenwel in de bedoeling om naderhand, wanneer gebleken is, dat het bedrijf te Manokwari zich zelf zal kunnen bedruipen, dit geheel in particuliere handen te doen overgaan”, zo eindigde Ir. C. van Konijnenburg zijn uiteenzetting. Al met al geeft het Manokwari gegronde hoop voor een “beteugeld optimisme.”
Ode aan Wieteke van Dort Mijn nagedachtenis aan Wieteke is van vorig jaar toen zij met veel gevoel het algemene