De veroveringen van West-Nieuw-Guinea

De veroveringen van West-Nieuw-Guinea

Katholieke Illustratie – 23 mei 1952 no. 21; Extract uit Artikel geschreven door Claude Belloni

(Bijzondere correspondentie)

Herinneringen van een Papoea ooggetuige

Op 22 april herdacht Hollandia op Nederlands-Nieuw-Guinea de dag der bevrijding. Precies acht jaar geleden was het toen, dat Amerikaanse en Australische troepen voor het eerst voet aan wal zetten in een briljante en van grote militaire deskundigheid getuigende omtrekkende bewoning, waarvan generaal Douglas MacArthur de geestelijke vader wordt genoemd. Een groot en goed uitgerust Japans leger werd volkomen verrast en verslagen, dankzij een haarfijn berekend en stipt op tijd uitgevoerd aanvalsplan en de minutieus in elkaar grijpende samenwerking tussen grond-, zee- en luchtstrijdkrachten. Hier werd de eerste belangrijke stap gezet op de lange weg naar de overwinning. Hier ook verrees in een plaatsje, waar nog maar enkele huisjes stonden en verder niets dan onmetelijk oerwoud te onderscheiden viel een wereldstad met meer dan honderdveertigduizend inwoners.

Gerson Hassor is een van de weinige Papoea’s, die deze amphibische landingen van vlakbij gezien heeft. Als wij zijn kamponghoofd toevallig in Hollandia ontmoeten, vragen wij deze of hij voor ons een ontmoeting met Gerson Hassor kan arrangeren. Hij verzoekt ons de volgende morgen aan het invasiestrand te komen.

Het is Hassor zelf, die ons prauwtje naar zijn kampong peddelt, kampong Tobati, vlak achter het invasiestrand gelegen en slechts over het water bereikbaar. Het toenmalige Tobati werd van de aarde weggevaagd, toen de landingen geschiedden.

Gerson Hassor is een grage prater. Hij is er nog steeds vol van. Van de bombardementen, dag en nacht, ruim een maand, voordat de werkelijke invasie plaatsvond. Van de landingen en van de verbazingwekkend geringe tegenstand der Japanners. Hij zucht. Die Japanse tijd was niet mis. Zwaar werken, veel slaag en vaak niet voldoende eten. Vooral dat zware werk, daar hield hij niet van. Zijn tuinen brachten hem voldoende sago en zoete patatten op en daar ving hij zo nu en dan een visje bij uit de Jotefabaai, waarop kampong Tobati een prachtig uitzicht heeft. De Jotefabaai is diep, vertelt hij, en heel wat grote en kleine schepen zijn er destijds binnengevaren. “Kijk”, wijst Hassor, wanneer wij op niet al te grote afstand langs een roestbruine en halfvergane Amerikaanse tanker varen, “die wist de weg niet. Het ligt daar vol zandbanken.”

En dan leggen wij aan bij Tobati, een paaldorp, waarvan de huisjes aan weerszijden van een plankenpad vrij dicht naast elkaar zijn gebouwd. Gerson haalt een oude, vergeelde foto van het invasiestrand voor de dag. Van ruim tweeduizend kokospalmen en andere bomen zijn nog slechts de kaal- en stukgeschoten stammen over. “Die geef ik niet weg,” zegt hij, als wij hem vragen de foto te mogen hebben. “Maar hier hebt u een pamflet, dat ongeveer een jaar voor de invasie, in Mei 1943, door Amerikaanse vliegtuigen bij tienduizenden werd uitgeworpen. De bevolking werd hierin aangeraden naar andere oorden te verhuizen en niet dicht bij militaire doelen te blijven. Ze is bijna volledig uit Tobati weggetrokken. Hassor niet. Toen de bombardementen een maand voor de invasie veelvuldiger en heviger werden en de Japanse stellingen en opslagplaatsen aan de kust dag en nacht onder vuur kwamen te liggen, verhuisde hij met zijn familie naar de heuvels. Zo kwam D-Day, de dag der bevrijding. Het begon om drie uur in de ochtend. De familie schrok wakker en haastte zich naar haar diepe grot, waar het veilig was als in de beste schuilkelder. De helle lichtflitsen en het zenuwschokkende gedreun van de zware scheepskanonnen mengden zich met het nijdige staccato van lichter geschut, het inslaan van gierende granaten met het gegons van de twee-staartige nachtjagers. Nog lopen Gerson de rillingen over de rug, als hij van deze verschrikkelijkste uren uit zijn leven verhaalt. Wanneer ‘s morgens tegen ‘n uur of zes de eerste zonnestralen achter de gezichtseinder opflitsen en Gerson genoeg moed heeft kunnen opbrengen om zijn hoofd even buiten de grot te steken, ziet hij de reusachtige invasievloot, een machtige en tegelijk angstwekkende armada. Vliegdekschepen, slagkruisers, torpedojagers, tankers, transportschepen en honderden andere, die hij nog maar zelden bij de Japanners heeft gezien. En in de lucht de jagers, die in een onafgebroken stroom van de vliegkampschepen opsnorren en de kust met boord-wapenenen en raketten bestoken. Dan maken ontelbare witte strepen zich van de schepen los en waaieren bij honderden uit over de baai; het zijn golven landingsboten, welke, verspreid over een ontzaglijke breedte, het strand opkomen. Links, waar de koraalriffen zijn, ziet Gerson vreemdsoortige monsters uit het water opdoemen: het zijn de ‘alligators’ en ‘buffalo’s’, amphibische tanks, die met hun zware rupsbanden de hard riffen stuk rammen. Merkwaardig genoeg ontmoetten de landingstroepen maar weinig tegenstand van de Japanners. Zo verloopt de verdere dag zonder al te veel geschiet. De dag, waarop de Papoea’s hun vrijheid terugkregen: “D-Day”, simpele naam met zulk ‘n ontzaglijke betekenis. 

C.B.


meer lezen?

Stuur me mijn gratis mini-eBook.
Tegelijkertijd meld ik mij aan voor de maandelijkse nieuwsbrief en jullie mogen mij geheel vrijblijvend een email sturen wanneer het boek 'De zon in zijn ogen' uit komt.

Wij respecteren uw privacy. Ook wij houden niet van spammen. U kunt zich eenvoudig afmelden via de afmeldlink in elke nieuwsbrief die u van ons ontvangt.