de Volkskrant, van Donderdag 8 februari 1951; Artikel geschreven door Claude Belloni
(Van een correspondent)
Hollandia, 1 februari, – Nog steeds hechten vele bewoners van Nieuw-Guinea met een bijgelovigheid, die eigen schijnt aan dit wijde, mysterieuze eiland, waarde aan de geruchten dat Nederlandse vrouwen in het berggebied achter Manokwari zouden worden vastgehouden als bijvrouwen van de kamponghoofden. Vele echtgenoten van kolonisten, die tijdens de Japanse bezetting veiligheid zochten in het oerwoud, zijn nooit teruggekeerd en omtrent hun lot verkeert men nog altijd in het ongewisse. Na de indiening van het eerste officiële rapport bij de Nederlandse instanties in Nieuw-Guinea zijn echter vele patrouilles gelopen. Verkenningen, die speciaal tot het opsporen van de blanke vrouwen in kampongs werden uitgezonden, hadden geen enkel resultaat, zelfs niet wanneer zij onder leiding stonden van Nieuw-Guinea-kenners van naam. Evenmin is ooit enig spoor gevonden van vrouwen van Aziatische landaard, niet behorende tot de oorspronkelijke bevolking van het eiland.
Vele geïnterneerden nog vermist
Bij de landing van de Japanners, in 1942 te Manokwari werden alle ingezetenen van Europese of Aziatische herkomst geïnterneerd. Als plaats van samenbrenging werd Andal gebruikt, een dorp dat per auto in drie kwartier vanuit Manokwari te bereiken is en de toegangspoort vormt tot het berggebied. Een weelderig leventje hebben de geïnterneerden daar niet geleid. Het grote tekort aan voedsel, vooral aan groenten, heeft velen van hen het leven gekost. In het bijzonder werd hun toestand ernstig toen de Amerikaanse druk op Nieuw-Guinea toenam.
Toen de Japanse schepen voor de kust van het eiland vrijwel alle tot zinken waren gebracht, gaf de Japanse kapitein Myasaki aan de leider van het interneringskamp opdracht een onderverdeling te maken. Zo gebeurde het dat zij over vijf verschillende plaatsen werden verdeeld. Vooral daarna zijn velen omgekomen, deels door eigen schuld deels door het optreden van bergstammen.
Reeds in 1945 deden geruchten de ronde als zouden zich nog Nederlandse en Aziatische vrouwen in handen bevinden van de bergstammen. Sindsdien zijn deze beweringen telkens weer opgedoken en het geloof er in groeide nog naarmate de jaren zich voortspoedden. Een gevonden damesschoen, die nog niet vergaan was, werd gebruikt als ‘bewijsstuk’. Daarbij werd evenwel over het hoofd gezien, dat de Andal-streek gemakkelijk per auto te bereiken is, zodat die ene schoen nooit doorslaggevend kon zijn. Bovendien hadden de roofzuchtige stammen in de oorlog alles wat zij konden bemachtigen uit de interneringskampen geroofd. Bij hun terugtocht hadden zij best een schoen kunnen verliezen.
Het eerste officiële rapport over deze inderdaad belangrijke kwestie, waarbij vele gezinnen betrokken zijn, werd pas in 1947 ingediend. De patrouilles, die daarna werden uitgezonden hadden allereerst tot taak de juistheid van dit rapport na te gaan.
Toch is het begrijpelijk, dat pas na de indiening van dit rapport tot actie werd overgegaan. Met een tournée door het berglandschap, dat alleen per voet te begaan is, zijn vele dagen gemoeid. Tussen het zeeniveau en het bergland, waar de feiten dienden te worden gezocht, is een verschil in hoogte van meer dan duizend meter. En bovendien zijn nog de taalmoeilijkheden én de terughoudendheid en schuwheid van de bevolking – die vaak schuldbewust is na roof- en moordtochten uit de oorlog – factoren, die het onderzoek bemoeilijken. Men gaat dan ook nooit op loutere geruchten af. Uitzonderlijke kenners van land, volk en zeden hebben het berggebied kris-kras en toch systematisch verkend. Bij die onderzoekers was Barend Mandatjan, zelf een zoon van het land, en kenner van zijn volk. Tot viermaal toe doorkruiste hij zonder enig resultaat het gebied der Anggi-meren en Hattam. Het is moeilijk te geloven, dat een man als hij nog om de tuin te leiden is.
Onder de verkenners bevond zich voorts Maurits Kokkelink, guerilla-strijder tegen de Japanners, een tengere en donkere figuur, die het Kruis voor moed, beleid en trouw van de Militaire Willemsorde met zoveel reden verwierf. Juist dit gebied, waar de geruchten leven als bijen in een korf, bezocht hij vele malen. Tijdens zijn werk bij de inlichtingendienst had Kokkelink uitsluitend Papoea-berichtgevers en zeker zou hij over iedere verborgen vrouw bericht hebben gekregen. Geen zijner rapporten spreekt hierover ook maar met een enkel woord.
Een andere speurder in dit land: bestuursambtenaar Nahuway, eveneens oud-guerilla-strijder. In het bijzonder tegen bedrog van de verdachte bevolking nam hij voorzorgen. Resultaat van het onderzoek: niets.
Zo zijn er velen geweest, die er het hunne toe hebben bijgedragen om de geruchten uit de wereld te helpen: controleur Verkerke van Manokwari, die de trots-mooie maar koud-mistige Anggi-meren en hun omgeving op zijn duimpje kent. Hij en talrijke anderen zochten naar de bevestiging van deze op zich wel geloofwaardige geruchten. Het enige dat zeker schijnt is helaas het overlijden van vele gevangenen.
Maar ondanks ontkennende verklaringen, ondanks negatieve rapporten duiken de geruchten steeds weer op. En zij zullen blijven opduiken om te worden aangedikt van geslacht op geslacht tot een legende zal zijn ontstaan over blanke Papoea-echtgenoten in een ontoegankelijk gebied.
C.B.
Ode aan Wieteke van Dort Mijn nagedachtenis aan Wieteke is van vorig jaar toen zij met veel gevoel het algemene