Oost & West, Hollandia, 25 juli 1953;
Artikel geschreven door Claude Belloni
Hollandia, Juni
De avond is nog lang niet gevallen, als Gerson Hassor plotseling opstaat van de warme planken waarmee de oude Amerikaanse steiger voor zijn paalwoning in Tabati bedekt is, en waarop hij met zijn kinderen heeft zitten spelen. Hij stuurt zijn zoon en dochtertje naar binnen en kijkt naar de lucht. Grote stapelwolken pakken zich samen aan de oostelijke horizon en Gerson kijkt er naar met een bedenkelijk gezicht. ‘Als het vanavond maar niet gaat regenen’ peinst hij. Dan loopt hij naar binnen en pakt zijn ‘visgerei’; hij gaat zich klaarmaken voor de nachtelijke visvangst in het diepblauwe water van de Jotefabaai, waarop zijn kampong Tabati, een prachtig uitzicht heeft.
Vis is duur in Hollandia en waar Tabati een energieke visvangst-beoefende bevolking heeft, is zij een van de welvarendste kampongs uit de omgeving van Hollandia. Gerson Hassor heeft dan ook reeds een ‘Petromax’ druklamp gekocht, waarvan het heldere lichtschijnsel straks, in de Jotefabaai, de vissen aan moet trekken. Zo nu en dan erop blazend, poetst hij het lampeglas blinkend schoon, plaatst het dan voorzichtig op het metalen voetstuk.
Dan neemt hij zijn visspeer ter hand. Een twee meter lange bamboe, waaraan zes lange ijzeren punten zijn bevestigd. Aan elke punt een flinke weerhaak. Hij weegt het viswapen in zijn hand, als ziet hij in gedachten reeds de flitsende schubben van een grote vis voor zich. Dan roept hij zijn buurman, die altijd zijn metgezel is als er ’s avonds, bij maanloze nachten gevist moet worden. Samen, de vissperen en de lamp in de hand, lopen zij naar de sierlijke vlerkprauw toe, die Gerson op het kleine strand naast de kampong heeft getrokken.
Verscheidene van zijn makkers uit de kampong zijn er in de stikdonkere nacht reeds op uit getrokken. Het is een aardig gezicht, al die lampen en flikkerende flambouwen op zee te zien. Dansende dwaallichtjes lijken zij, als in een sprookje van Grimm.

Andere methoden
Gerson Hassor kent gemakkelijker methoden om aan zijn vis te komen. Ook nu, na jaren van invloed der Westerse beschaving, blijft hij het meest houden van de oeroude methoden; die, welke hij van zijn vader leerde en die het op zijn beurt weer van zijn vader leerde. Bovendien, hij heeft het geld er nog niet voor om een trek- of een werpnet te kopen.
Op dit ogenblik, nu hij met zijn speer tot werpen gereed, balancerend voor in zijn vlerkprauw staat en in gespannen aandacht naar het water voor hem kijkt dat helder door de Petromax wordt verlicht, denkt hij aan zijn vrouw thuis. Vanochtend vond hij een aantal penvormige derriswortels, die Blandina nu aan het fijnstampen is. Hij weet niet, dat ‘rotenone’ van deze wortels het werkzame bestanddeel is, zoveel heeft hij er nog niet van geleerd. Hij weet alleen, hoe hij de derrispoeder gebruiken moet en dat de vis erdoor bedwelmd raakt, waardoor hij gemakkelijk te grijpen is.
Dat rif, dicht bij de ingang van de baai, zullen wij daar deze week heengaan om met derris te vissen?’ vraag Gerson zijn makker als hij naar hem omkijkt. Danielus knikt zwijgend. Het laat zich horen, dat deze visserij-methode schadelijk is voor de visstand, omdat zij het jonge broed meestal vergiftigt, maar zover piekert ook hij niet door. Je krijgt er veel vis mee die weer verkocht kan worden; dat is de hoofdzaak.
Soms, als hij er zin in heeft, pakt Gerson Hassor ook wel het ‘visgeweer’ dat hij zelf gemaakt heeft. Vroeger een gewoon stuk hout waarop een 60 centimeter lange pijl bevestigd zit die met een stuk autobinnenbandrubber wordt weggeschoten, nu – na invloed van de oorlog waarschijnlijk – aardig gesneden als de kolf van een geweer, compleet met een ‘trekker’. Ja, ook de bril om onder water te zien en die samen met het visgeweer moet worden gebezigd, heeft Gerson gemaakt: een masker van een lichte houtsoort waarin hij twee ronde gaten heeft gesneden; twee ronde stukken glas van een flashlight-die-het-niet-meer-doet, vloeibaar gemaakte damar langs de randen gesmeerd om het waterdicht te maken en de duikerbril is gereed.

Deze onderwaterjacht stelt hoge eisen aan zijn physiek uithoudingsvermogen, maar Gerson is trots op zijn body met de lage spierenbundels. Op diepten van 8 meter soms, weet hij het één à anderhalve minuut uit te houden. Er zijn velen uit zijn kampong, die het hem nadoen. Nu ja, die Saul Ohee is ook kreupel, die kán zo niet zwemmen. Een zonderling overigens. Altijd helemaal alleen vissend met de handlijn. Tientallen meters, soms tot honderd meter diepte, laat hij de dunne lijn door zijn vingers glijden. Saul vist alleen op de rode kakab, een grote baarsachtige vis, die hij gemakkelijk en tegen een flinke prijs aan de man kan brengen.
Zo vist en jaagt ‘het loze vissertje’ op Nieuw-Guinea: primitief vaak, maar toch meestal met succes.
C.B.
Ode aan Wieteke van Dort Mijn nagedachtenis aan Wieteke is van vorig jaar toen zij met veel gevoel het algemene