Oost & West, Hollandia, 25 Juli 1953
Artikel geschreven door Claude Belloni
Niet veel mensen zullen het bestaan weten van het ‘plaatsje’ Agats. Agats ligt aan de Oetoemboewee-rivier, welke uitmondt in de Flamingobaai; in een moerasgebied met een kustlijn van ongeveer 400 kilometer, waarvan de bevolking, die dun is uitgesmeerd, over een 200 kilometer in het Westen en 100 kilometer in het Zuiden is gekerstend.
Wat daartussen in ligt, is een netwerk van rivieren. Onderscheid tussen waar het water ophoudt en het land begint, is er veelal niet. Met vloed loopt een groot gedeelte van het gebied onder.
In deze moerassige streek wonen de Manoewees. Onder dit volk ook, zal in Agats eerlang de bestuurspost, die bij de inval van de Japanners werd gesloten, in ere worden hersteld.
‘Het Gouvernement van Nieuw-Guinea overweegt om op de Zuidwestkust, aan de Flamingobaai een bestuurspost te openen’.
Het staat er zo droog – zo alledaags. Er komt niets bijkomstigs aan te pas. De bevolking, Manoewees, moeten onder behoorlijk bestuur worden gebracht.
Het stáát er inderdaad. Maar één ding verandert de zaak, als men weet, dat ‘Manoewee’ de afkorting is van ‘weemanoewee’. En dat dit inheemse woord, vertaald, ‘mens eet mens’ betekent…
Dan verliest de bekendmaking iedere alledaagsheid; zij schijnt plotseling een sensationeel tintje te krijgen. Want zelfs in Nieuw-Guinea is ‘menseneter’ een begrip, dat uitzondering verdient.
Natuurlijk is er van bestuurszijde wel contact geweest met de Manoewees, maar dit is altijd zeer moeilijk gebleken. Niet alleen vanwege de mensen, het gebied werkt ook niet mee. Want waar de Manoewees leven is niets dan water en moeras, moeras en water.
In 1936 maakte de Nederlandse Nieuw-Guinea Petroleum Maatschappij, de NNGPM, van het uitgestrekte rivierengebied waar de Manoewees wonen, een provisorische luchtkartering. Men zond er de toenmalige controleur BB te Fakfak, A. Boendermaker, heen, thans Hoofd Agrarische Zaken te Hollandia. Hij is er, aan de hand van kaarten die uit de luchtfoto’s van de NNGPM waren opgemaakt, verscheidene malen in geweest.

“Mijn taak was, in dat moerasgebied een droge plaats te zoeken, waar een bestuurspost kon worden opgericht”, zo vertelt hij. Het was geen gemakkelijke opgave. Men kan er alleen varen, uren achtereen. Door vloedbossen, over ontzaglijke moerassen. Langs enkele gedeelten heeft zich op bepaalde plaatsen een oeverwal gevormd. Hierop wonen de Manoewees. Dikwijls in hutjes van nipabladeren, die enkele boomstompen als ‘ondergrond’ hebben. De mannelijke Manoewees lopen volkomen naakt, de vrouwelijke met een kort grasschortje.
Het zijn grote, stevige mensen, maar – naar onze begrippen – oerlelijk. ‘Ik ben nooit lelijker mensen dan de Manoewees tegengekomen’, voegt Boendermaker er aan toe. Het moeilijkste was, dat zij zo oorlogszuchtig zijn. Niet met ons; onderling. Iedere stam is heer en meester over een bepaald gedeelte van de rivier en wee degene, die van een andere kampong in dit gedeelte verzeild raakt.
In dit rivierengebied, werd eindelijk een droog plekje gevonden. ‘Agatepitsch’ of iets dergelijks noemden de Manoewees het. En ‘Agats’ werd de naam van de post, die het Bestuur eraan gaf. Er voer een schip heen, planken werden aangebracht, vivres opgestapeld. De planken voor een kazerne van 40 man veldpolitie, voor enkele huisjes van ambtenaren, een bestuurskantoor en een polikliniekje, het geheel afgezet door een dubbele ruim twee meter hoge omheining van prikkeldraad. De paadjes in het kamp waren knuppelwegen op een modderige bodem.
Er kwam – gelukkig – ook een radio-zendertje. Boendermaker lacht, als hij aan deze bestuursperiode terugdenkt.
Op een gegeven ogenblik kregen twee Manoeweestammen het met elkaar aan de stok over een kwestie, die iets te maken had met sago, hun hoofdvoedsel. De bestuurspost lag precies tussen de stammen in. ‘Dat mag niet deren’ moeten de Manoewees hebben gedacht, want de lange pijlen floten dagen achtereen in beide richtingen dwars over het kamp. Het zendertje bewees toen vooral zijn goede diensten. Men vroeg Fakfak om de bestuurspost te ontzetten, hetgeen inderdaad gelukte.
Maar de toeans van het Bestuur kwamen terug. En zij wisten zelfs enkele Manoeweestammen later te bewegen zich in de omgeving van het kamp te vestigen, wat op zichzelf reeds een succes was. De Manoewees zijn zwervers en het bestuur was dan ook steeds doende hen over te halen tot vaste nederzettingen. Het uitbreken van oorlogen tussen de stammen onderling – waarbij zij zich van het Bestuur niet aantrokken – was vaak oorzaak, dat de gehele post soms dagenlang geen oog dicht kon doen.
Ook de NNGPM, die in Aika – het verste punt van haar luchtkarteringsnet – een sleephelling voor haar amphibievliegtuigen en een vrij grote pasanggrahan had neergezet, is het onder Manoewees niet bepaald voor de wind gegaan.
Op een goede dag in het stille seizoen, wanneer de golven niet zo hoog staan, kwamen de Manoewees eens een kijkje nemen, wat daar in Aika toch allemaal te doen was. Dit betekende dat zij een 150 kilometer over open zee moesten roeien, wat zelfs voor de Manoewees geen geringe onderneming was. Maar zij deden het.
Groot was dan ook de schrik onder de Europese en andere inwoners van Aika, toen daar tientallen lange, smalle prauwen, met rechtop daarin staande Manoewee-roers, in slagorde voor de kust verschenen. In iedere prauw 10 tot 15 man, voorop een grote kerel met een nog groter schild, beschilderd met rode en witte figuren. De achterkant van de pagaaien liepen uit in een speerpunt. Het gevolg van deze op niet veel goeds beduidende ‘invasie’ was, dat alle inwoners van Aika de benen namen. Toen men later in het plaatsje terugkwam bleek de pasanggrahan ingestort te zijn. De Manoewees hadden alle spijkers, met de hand – let wel! – uit de spanten en verbindingen getrokken…
Kunstzinnig volk.
Met al hun oorlogszuchtigheid zijn de Manoewees een kunstzinnig volk. Alles wat aan hout in gebruik is, wordt bewerkt; de palen van hun woningen, de prauwen, de grote schilden, de pagaaien. De botten, die vele mannen door hun neus hebben, zijn keurig geciseleerd.
‘Ik zag eens een in hut uitgesneden jaarvogel’, zo vertelt Boendermaker. Met scherpe schelpen had men de figuur gevormd en zij deed dan ook sterk denken aan de moderne westerse sculpturen. De gestalte van de jaarvogel was niet direct te herkennen, maar de essentie van het werk was duidelijk te zien.
Missie werkzaam.
Onder dit volk leeft eenzaam en verlaten, een blanke, een missionaris, en hij doet er zijn pacificerend en Christelijk werk. Pater Zegwaard – zo heet hij – heeft al enkele jaren onder de Manoewees erop zitten.
Hij zal nu over enige tijd niet meer alleen zijn. Als het bestuur eenmaal in Agats is gevestigd, zal ook daarvan de invloed van de Manoewees haar uitwerking niet missen. En op den duur zullen ook de onderlinge oorlogen achterwege blijven en zullen de Manoewees kunnen komen tot datgene, wat het primaire doel is dat Nederland zich, voor wat betreft de bevolking, in Nieuw-Guinea heeft gesteld: een hoger levenspeil, een menswaardiger en zinvoller bestaan.
C.B.
Ode aan Wieteke van Dort Mijn nagedachtenis aan Wieteke is van vorig jaar toen zij met veel gevoel het algemene