Volkskrant, Hollandia, 30 december 1957;
Artikel geschreven door Claude Belloni
Hollandia. – ‘t Komt betrekkelijk weinig voor dat een land, welks bewoners voor een niet onbelangrijk deel nog behoren tot de meest primitieven van het menselijk geslacht, terwijl een numeriek nog kleine groep de eerste aarzelende aanrakingen heeft gevonden met de moderne beschaving, direct en indirect zo intensief voor ‘t voetlicht, der internationale belangstelling wordt gebracht, als dit thans het geval is met Nederlands Nieuw-Guinea.
Niemand zal ‘t verbazen, dat de bewoners van dit verre Nederlandse rijksdeel – zowel de autochtone Papoea-bevolking, voor zover een reeds gevorderde ontwikkeling haar daartoe in staat stelt, als de hier levende en werkende Nederlanders – in gespannen aandacht kennis nemen van alles wat op de situatie van het ogenblik betrekking heeft.
Nog nooit is dan ook de radio zo intensief beluisterd als in deze dagen. Vooral de uitzendingen van Australië, die hier zeer goed worden ontvangen. Maar gretiger dan ooit hoort men nu ‘s avonds ook de Wereldomroep te Hilversum, hoe slecht die helaas veelal ook als gevolg van atmosferische storingen (de beruchte ‘zonnevlekken’) door komt.
Enorme vraag is er deze weken naar ‘t gestencilde nieuwskrantje van ‘t Kantoor Voorlichting (nog steeds het enige ‘journalistieke’ communicatiemiddel), dat per vliegtuig in de voornaamste plaatsen van Nieuw-Guinea komt en nu voor driekwart is gevuld met berichten uit en over Indonesië.
Familie-zorgen
Toch kan men niet zeggen, dat de Nederlandse bevolkingsgroep in dit rijksdeel zich ernstige zorgen maakt over de mogelijkheid dat Nieuw-Guinea rechtstreeks in de moeilijkheden zou worden betrokken. Men is begaan met het lot van hen, die nu overhaast uit Indonesië de wijk moeten nemen. Men heeft ook – en vooral geldt dit bijvoorbeeld in Manokwari, waar vele ‘Indische Nederlanders’ zich een nieuw bestaan in land- en tuinbouw verwierven – zijn particuliere zorgen over het lot van nog in Indonesië wonende familieleden. Maar men gelooft toch allerminst, dat de dreigende taal, uit sommige Indonesische kringen vernomen, door een openlijke militaire actie tegen Nieuw-Guinea zal worden gevolgd.
Hoe is nu de houding van de inheemse bewoner van de Papoea ten opzichte van dit alles? Men bedenke hierbij, dat aan zeker de helft van de naar schatting 700.000 zielen tellende autochtone bevolking het gehele conflict eenvoudig voorbij gaat, omdat zij nog in feite afgesloten leeft van de wereld.
Papoea-meningen
Maar in de dunne bovenlaag der Papoea-gemeenschap, waar de ontwikkeling reeds ver genoeg gevorderd is, vindt men de figuren, die zich gaandeweg ontplooien tot de toekomstige leiders van hun volk. Daar vindt men ook een eigen mening ten opzichte van de toekomst van Nieuw-Guinea en een politiek standpunt met betrekking tot de situatie van ‘t ogenblik.
‘Als wij een deel van Indonesië zouden worden, zouden we zonder meer worden opgeslorpt en zou tenslotte het Papoea-volk van de aardbodem verdwijnen’, verklaart ons Nicolaas Jouwe, lid van de Raad van Volksontwikkeling en van de Adviesraad voor Hollandia, een der toonaangevende figuren onder de autochtonen.
‘Onze sympathie gaat naar de Nederlanders, omdat geen ander volk zo democratisch denkt’, meent Markus Kaisiepo, van Biak Geboortig, die zich via een bescheiden rang in ‘t bestuurskorps heeft opgewerkt tot een positieve van betekenis onder zijn volk. Hij is zachtmoedig, bescheiden en wijs, deze Kaisiepo, maar vol van een brandende trouw jegens het volk der Papoea’s, welks belang hij steeds tracht te dienen.
Vertrouwen
Feller van aard en hartstochtelijker is Nico Jouwe. ‘Ik heb geen haat tegen Indonesiërs’, verzekert hij ons. ‘Maar ik ben nationalist. En al zou ik in de hoogste boom worden opgehangen (wat de Indonesiërs mij al hebben beloofd). Ik zou desnoods met de wapenen mijn land verdedigen. Van enkele Papoea-voormannen op verwijderde eilanden kregen wij al verzoeken, hen van wapens te voorzien. Maar wij vertrouwen er op, dat het Nederlandse bestuur ons zal kunnen beschermen en dat Nederland ons niet in de steek laat”.
Misschien maken dergelijke uitlatingen op de westerling een enigszins ‘gezwollen’ indruk. Maar het feit ligt er, dat de meer ontwikkelde Papoea, zakelijk van nature als hij is, geenszins bereid is, de voordelen te laten veren, welke ‘t Nederlandse beheer over dit Rijksdeel hem heeft gebracht.
Jouwe, die door zijn functie deze dingen op zijn duimpje kent, herinnert eraan, hoezeer de toestand van zijn volk is verbeterd door de gestadige uitbreiding van het onderwijs, dat nu 250.000 zielen omvat; dat een paar honderdduizend Papoea’s thans systematisch beschermd zijn tegen de gevolgen van de gevreesde framboesia; dat 150.000 Papoeahuizen met DDT bespoten zijn in de grote campagne tegen de malaria. ‘Denkt u, dat wij dit alles willen opgeven om deel te worden van een land, waar voortdurend onrust en verwarring heerst?’
Nog lange tijd
Zó liggen de kaarten en zó zijn de gevoelens van de Papoea’s, die zich tot zelfstandig denken heeft ontwikkeld. Hij heeft vertrouwen in de Nederlandse hulp en leiding, omdat hij gelooft, dat het Nederland de volste ernst is met de verplichting welke het voor het oog der wereld op zich heeft genomen: het opvoeden van dit volk tot eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid.
Dat het nog veel tijd zal kosten, voor dit doel bereikt is, weet de Nederlander in dit rijksdeel en beseft óók de Papoea. Want tussen de ontwikkelde Papoea van de ‘grote stad’ en zijn primitieve stamgenoot tussen de schier ondoordringbare moerassen gaapt nog een brede kloof.
C.B.
Ode aan Wieteke van Dort Mijn nagedachtenis aan Wieteke is van vorig jaar toen zij met veel gevoel het algemene