Leidsch Dagblad, 2 maart 1953; Artikel geschreven door Claude Belloni
Toen de berichten over de watersnood in Nederland de afstand naar Nieuw-Guinea hadden overbrugd, en men onder de bevolking aldaar het besef kreeg, dat hier sprake was van een nationale ramp, heeft men in dat grote Rijksdeel niet getalmd met de organisatie voor hulpverlening.
Uiteraard had men in Nieuw-Guinea rekening te houden met hoofdzakelijk twee bevolkingsgroepen, waarvan er een niet ten minste begrip had hoe het mogelijk was, dat een ‘bandjir’ een stuk Nederland van dergelijke afmetingen kon doen onderlopen.
Dit begrip bij de autochtonen aan te kweken is een van de taken geweest in de afgelopen dagen, van het Kantoor voor Voorlichting te Hollandia. Onmiddellijk werd naast het dagelijkse nieuwsblad in het Nederlands ook een dagelijks bulletin in het Maleis verstrekt, waarin hoofdzakelijk de nieuwsberichten waren opgenomen over de overstromingsramp. Met tekeningen werd de Papoea voorts duidelijk gemaakt, wat polders en dijken en molen zijn. En, eenmaal begrepen, heeft deze autochtone bevolking op de oproep tot hulpverlening gereageerd met de impulsiviteit van de jeugd. Daar waren de Papoea-schrijvers, lopers, B.B.-ambtenaren (Binnenlands Bestuur) en de vele anderen van deze bevolkingsgroep in Overheidsdienst, die een dag salaris afstonden. Daar waren de mantri-verplegers van het Ziekenhuis te Hollandia, die aanboden niet één maar vijf dagen salaris ter beschikking te stellen. Daar waren tenslotte ook die vissers van de kampongs aan de Jotefabaai bij Hollandia, die zich met de gevangen vis van die dag bij het plaatselijke comité aan de haven kwamen vervoegen en deze de vangst aanboden voor de slachtoffers in Nederland. De verkoop ervan bracht f. 207.– op.
De belangstelling voor de geweldige overstromingen, waarover de Papoea’s dagelijks in het Maleise krantje konden lezen, werd echter het duidelijkst gedemonstreerd, toen werd aangekondigd dat speciaal, voor de autochtone bevolking in Hollandia een aantal films van de ramp zou worden gedraaid. Reeds uren voor de filmvoorstelling zou beginnen waren de 200 plaatsen, welke het kleine bioscoopgebouw bevat, grif uitverkocht. Tallozen dropen teleurgesteld af. Weer anderen, niet tevreden dat zij zich geen plaatsje hadden kunnen veroveren, begaven zich naar het huis van de heer Markus Kaisiëpo, een van de meest vooraanstaande autochtonen te Hollandia met een verrijkende invloed onder de zijnen. Natuurlijk kon ook hij er niets meer aan doen.
Een ‘oplossing’ werd tenslotte gevonden, toen bleek, dat een der minder ervaren kaartjesverkopers slechts de rechterhelft der geperforeerde kaartjes van zijn boekje had verkocht. Besloten werd ook de overgebleven helften te verkopen.
Ook daarna echter, toen ‘er geen kip meer bij kon’, waren er nog vele teleurgestelden. Doch geen bezwaar. Ladders werden aangedragen om toch maar wat van de film te kunnen zien; men stond afwisselend op elkanders schouders, zelfs de wanden werden niet gespaard, waarvan de talloze gaten die men na de voorstelling kon opmerken, getuigenis aflegden.
Maar geen beter, sprekender middel om de grote nood in Nederland tot ieders begrip te doen doordringen, dan het schrille, levende beeld van zwart en wit, dat zich voor de ogen van de driehonderd en zoveel Papoea’s op de film vertoonde.
* * *
Het Centraal Comité voor Hulpverlening te Hollandia, Nieuw-Guinea, had op 20 dezer reeds een bedrag van meer dan f. 135.000.– bijeengebracht. Hierbij is niet inbegrepen het bedrag van rond f. 33.000.—dat werd ingezameld door het personeel van de Koninklijke Marine op Nieuw-Guinea en nog niet op de rekening van het Centraal Comité was gestort.
Als men het aantal Europeanen op Nieuw-Guinea, de strijdkrachten daarbij inbegrepen, stelt op 11.000.—welk getal zeker aan de hoge kant is – en het aantal autochtonen in de steden op 9000, dan komt het bovengenoemde bedrag neer op meer dan acht gulden per hoofd.
Ode aan Wieteke van Dort Mijn nagedachtenis aan Wieteke is van vorig jaar toen zij met veel gevoel het algemene