Oost & West, Hollandia, Mei 1957; Artikel geschreven door Claude Belloni
De oude chocoladekleurige autobus, waarvan de passagiers er aan alle kanten uitpuilen, komt krakend en met gepiep van remmen tot stilstand. ‘Dat hebben we er alweer opzitten’, zegt zuchtend de chauffeur, die van achter het stuur vandaan kruipt en met een ruk het zijdeurtje openzwaait. Haastig doen de buiten wachtenden echter een stap achteruit, want tegen de ‘inhoud’ van de bus optornen is volslagen onmogelijk. Bij twee, drie tegelijk wringen de passagiers zich door de nauwe opening naar buiten. Dan herhaalt de geschiedenis zich, in omgekeerde richting. Gelukkig komen wij er zonder kleerscheuren af.
Vooraan, dicht bij de deur zit een oud mannetje, op blote voeten en slechts gekleed in een korte broek van onbestemde kleur. Een kapot pijpje bengelt uit zijn mond en nieuwsgierig nemen zijn zwarte ogen iedere nieuwkomer op. Het is hem aan te zien, dat hij kennelijk in zijn schik is zich nog een zitplaats te hebben kunnen veroveren.
Een rij van staande passagiers heeft zich tussen de banken opgesteld. Dan verschijnt plotseling in de deuropening een vrouwtje met een kind op haar arm. Een Papoeavrouwtje. De bus kan niet meer passagiers opnemen en met een enigszins zielige blik dwalen haar ogen dan ook de zitplaatsen af. Maar net als zij overtuigd is er toch niet meer bij te kunnen, verzoekt het oude mannetje-bij-de-deur het vrouwtje binnen te komen en biedt hij haar, met de elégance van de volkomen westers opgevoerde gentleman, in een sierlijk handgebaar zijn zitplaats aan.
Zelf stapt hij naar buiten en hurkt hij neer in het gras, trekkend aan zijn pijpje. Om de terugkomst van de bus af te wachten, straks twee of drie uren later…
Ode aan Wieteke van Dort Mijn nagedachtenis aan Wieteke is van vorig jaar toen zij met veel gevoel het algemene