Proefgebied Zuid Nieuw-Guinea

Zuid Nieuw-Guinea als proefgebied

Hengelo’s Dagblad – 16 januari 1953 Artikel geschreven door Claude Belloni

(Van onze bijzondere medewerker te Hollandia)

Pacific-commissie koos Zuid-Nieuw-Guinea tot proefgebied.

Het is een merkwaardig verschijnsel, dat de bevolking in de gebieden van de Zuid Pacific een duidelijke tendens vertoont in aantal achteruit te gaan. Hoewel natuurlijk deze bevolkingsafname niet overal dezelfde is, en in sommige gebieden, zoals op Samoa en Nieuw Zeeland, zelfs een toename valt te constateren, is toch duidelijk gebleken dat op de meeste Melanesische en Polynesische eilanden – na de komst van de Europeanen – een scherpe daling in het bevolkingsaantal der eilanden is ingetreden. Dit vertelde dr. S. Kooyman, conservator van het Leidse Museum voor Volkenkunde, die dezer dagen in Hollandia arriveerde en binnenkort een bevolkingsonderzoek zal instellen in Zuid-Nieuw-Guinea.

Er is reeds van diverse zijden gewezen op de betekenis, welke de Zuid Pacific Commissie kan hebben. Ook voor Nederlands Nieuw-Guinea. In deze commissie immers, waarin behalve Nederland, ook Australië, Engeland, Frankrijk, Nieuw Zeeland en de Verenigde Staten zijn vertegenwoordigd, wordt het mogelijk de gemeenschappelijke belangen te bundelen en gezamenlijk te bestuderen.

Het is ook de Zuid Pacific Commissie geweest die naar deze bevolkingsachteruitgang een onderzoek wilde instellen. Daartoe koos de commissie Zuid-Nieuw-Guinea uit als proefgebied en de werkzaamheden, die dr. Kooyman daar zal gaan verrichten zullen als proefneming bedoeld zijn voor verdere onderzoekingen in dit kader, op andere eilanden van de Zuid Pacific.

Men beschikt voor wat betreft ‘het Zuiden”, zoals met Zuid-Nieuw-Guinea plaagt aan te duiden over vrij uitgebreid statistisch materiaal, dat vanzelfsprekend voor de antropoloog en etnoloog een zeer welkome basis zal kunnen vormen bij de onderzoekingen. Het was dr. J. van Baal – van 1936 tot met 1938 controleur B. B. te Merauke, thans anti-revolutionair Tweede Kamerlid –  die het eerst de aandacht vestigde op het grote bevolkingsdecres onder de Marino-Anim van Zuid-Nieuw-Guinea. Dit heeft naderhand de commissie tot het bevolkingsonderzoek doen besluiten, de keuze van de leider daarvan, aan Nederland overlatend.

Bevolking verminderde met een derde

Een van de eerste taken van dr. Kooyman, wanneer hij straks in het Zuiden de strand- en binnenlandse kampongs aan de Koembe, de Bian en de Maro-rivier zal bezoeken, zal het onderzoek zijn of de bevolking daarvan nog steeds in aantal afneemt, dan wel dat zij tot een ‘bevolkingsstilstand’ is gekomen, wat eveneens ongunstig is. Pas daarna zal de heer Kooyman naar de oorzaken gaan zoeken, welke tot de ontstellende (een derde) bevolkingsafname in de afgelopen decennia hebben geleid. Voor de oorzaken van de sterke daling in het bevolkingsgetal onder de Marino zijn verscheidene theorieën in omloop, aldus zeide de heer Kooyman. Zo bestaat de theorie, die de Britse etnoloog Rivers opstelde, en die hij ‘psychische depressie’ noemde, waarbij de komst van de Europeanen in die streken niet zouden hebben nagelaten invloed uit te oefenenen op de bevolking. Het verbod van koppensnellen en andere feesten, die met grote uitspattingen van diverse aard gepaard gingen, zouden onder de bevolking een soort ‘cultuurmoeheid’ hebben teweeggebracht.

Een vaststaand feit is echter, dat het zogenaamd ‘venerisch granuloom’ een ware slachting onder de bevolking heeft teweeggebracht, later nog gevolgd door andere infectueuze ziekten, zoals de griep-epidemie van 1918, welke alle van buiten waren geïmporteerd.

Doopboeken waardevol middel

Een grote hulp voor de onderzoekingen van dr. Kooyman zullen de doopboeken zijn, die door de missionarissen van het Heilig Hart in Merauke gedurende enkele tientallen jaren regelmatig zijn bijgehouden. Ook de rapporten over onderzoekingen onder de bevolking, in 1922 en 1927 gedaan door de Zwitserse Etnoloog Wirz, zullen ongetwijfeld hun waarde voor Kooyman’s onderzoek afwerpen, als ook de alleszins leeswaardige en belangwekkende rapporten van de heer Boldingh, die van medio 1946 tot12 begin 1948 assistent resident te Merauke was. 

Een van de eerste vragen, welke men zal moeten onderzoeken is wel: ‘Hoe staat het met de kindersterfte?’ Kindersterfte betekent namelijk in geheel Australisch Nieuw-Guinea – zoals de Australische etnoloog Williams het uitdrukte – ‘een ernstig lek in het menselijk leven’. Hiernaast is het belangrijk om de sexe-verhouding bij de geboorte te weten te komen omdat met name in Oranië een jongensoverschot en een mannenoverschot bestaat, dat veelal wordt beschouwd als een aanwijzing van bevolkingsachteruitgang.

Nederlandse taak

Zo ligt er voor dr. Kooyman in het Zuiden van Nieuw-Guinea een bijzonder interessant terrein voor onderzoekingen braak. Hij stelt zich voor ongeveer tin maanden in het gebied – waar naar schatting 16.000 mensen wonen – te verblijven om vervolgens in de laatste twee maanden van het jaar zijn rapporten te schrijven.

Dan zal ook wederom een antwoord zijn gegeven op een van de belangrijkste, hoewel vaak omstreden punten, waarom Nederlands aanwezigheid in Nieuw-Guinea gewenst is: het op een hoger levenspeil brengen van de autochtoon, het leiden van de Papoea naar een rijker, progressiever en zinvoller bestaan.

C.B.


meer lezen?